Indian Summer

Zo wil ik ook oud worden. Op internet bekijkt hij elke ochtend het laatste nieuws. Zij draagt de nieuwste eau de toilette van Calvin Klein. In hun huis geen sierrekje met verstofte geschenkwijn van een jaar dat niet bewaard had mogen worden, maar een kelder vol goede flessen, elk voor een volmaakt diner. Bij hen geen koffiemelk in de oploskoffie, maar hagelwit vers melkschuim. Op de fruitschaal liggen mango’s en limoenen.
‘Daar is ze weer!’ Meneer en mevrouw Kraan verwelkomen me als een goede vriendin. Mevrouw hangt mijn jas op, meneer schudt twee keer nadrukkelijk mijn hand. Ik krijg een lijst met taken en twee keer pauze voor koffie. De lekkerste koffie in mijn thuiszorgbestand.
‘Hoe is het afgelopen met dat concert?’ Meneer en mevrouw Kraan onthouden wat ik doe. Met de betrokkenheid van een moeder die na schooltijd klaarzit met thee, nemen ze de week met me door.
‘We konden nog kaarten krijgen, op het nippertje!’ zeg ik. ‘Wat heerlijk voor je. Wie was de componist ook alweer?’ vraagt mevrouw. Vlug kijkt meneer op van zijn krant. ‘Was het niet Schubert of iets dergelijks?’
Hun oven en afzuigkap is van roestvrij staal. Op de antieke secretaire van meneer staat, als een Corneille in het Rijksmuseum, de witte laptop. Meneer mailt af en toe een boodschappenlijst naar zijn zoon, die naar de groothandel gaat. Op de vloer ligt laminaat. Niets in dit huis wijst erop dat meneer en mevrouw Kraan hun eindstation hebben bereikt.
‘Wij hebben ook laatst iets van Schubert gehoord, maar dat was zang. Iets met… eh molenaar. Gut, hoe heette het ook alweer?’ Ze wrijft in haar ogen. Meneer kijkt weer op. ‘Bedoel je soms “Die schöne Müllerin”?’ ‘Juist, dat was het. Wat hebben we daarvan genoten.’
De herfst van meneer en mevrouw Kraan is als een Indian Summer. Windstil, met laaghangend zonlicht aan een knisperende hemel. De bladeren van de bomen zijn niet meer zo buigzaam als in de lente, maar hun kleur is mooier dan ooit. Uit niets blijkt dat er ooit winter komt. Ik hoop dat, mocht hij toch komen, hij zal intreden met een plotselinge, strenge vorst.
‘Weet je wat leuk zou zijn,’ mevrouw staat op. ‘Als we de cd even opzetten. Als arbeidsvitaminen.’ Ik veer op. Ik durf nooit te vragen of de radio aanmag. Fijn dat mevrouw Kraan er nu zelf mee komt. Ze staat bij de platenkast en aarzelt dan. ‘Even kijken. Hoe heette die componist ook alweer?’ Schubert, wil ik zeggen, maar ik slik mijn woorden in. Nu pas hoor ik wat ze zegt.
De geelrode bladeren ritselen. Het is een kleine windvlaag, die regen voorspelt. En plotseling besef ik dat we hem alledrie voelen. Met haar luchtige toon, haar gespeelde verwardheid probeert mevrouw Kraan het ons niet te laten merken. Meneer weet het en hij speelt mee. Met geraffineerde woorden als ‘bedoel je soms’ en ‘of iets dergelijks’ wil hij haar sparen. En zichzelf.
‘Ik weet precies wie u bedoelt, maar die naam, hè,’ zeg ik. ‘Die vergeet ik telkens. Was het niet iets van Schubert?’ Als we alledrie ontkennen dat dit mooie getij eindig is, misschien komt de storm dan later.